Hoe kunnen we ervoor zorgen dat de taak van mantelzorgers haalbaar wordt en aantrekkelijk blijft? Een wettelijk statuut, waaraan de regering werkt, lijkt niet het te verkiezen antwoord op die vraag.

Ons land telt honderdduizenden mantelzorgers, mensen die vrijwillig en onbetaald zorgen voor een chronisch ziek, gehandicapt of hulpbehoevend iemand uit hun omgeving. Deze praktijk past perfect binnen het plaatje van vermaatschappelijking van zorg waarin deze regering zo gelooft. Naasten worden daarin best zo lang mogelijk thuis bijgestaan, zodat het traditionele zorgsysteem ontlast wordt.

Toch blijft een sociaal statuut voor deze groep tot op vandaag uit. Er is sinds 12 mei 2014 wel een wet goedgekeurd hierover. Maar over de uitvoeringsbesluiten, die de wet in de praktijk moeten brengen, is de regering het nog altijd niet eens.

Volksvertegenwoordiger Anne Dedry (Groen) stelde afgelopen maand twee vragen over de verdere ondersteuning van mantelzorgers aan minister van Werk Kris Peeters (CD&V) en zijn collega van Sociale Zaken en Volksgezondheid Maggie De Block (Open Vld). Telkens kwam ook dat statuut ter sprake.

“Maar beiden geven toe dat de coalitiepartners niet tot een akkoord komen.”

Pensioen

Het probleem zit hem volgens Dedry in de definities die moeten worden vastgelegd. “Wanneer spreek je van een mantelzorger? Is dat iemand die 1 of 40 uur per week zorgt? En hoe hulpbehoevend moet zijn of haar zorgvrager zijn?” Het zijn geen evidente vragen.

“Maar het lijkt me ook niet onoverkomelijk om een consensus te vinden over zo’n essentieel thema.”

Dedry benadrukt dat een wettelijke erkenning gepaard kan gaan met de automatische toekenning van een aantal sociale voordelen.

“De jaren dat iemand zijn job onderbreekt om mantelzorg te verlenen, tellen nu bijvoorbeeld niet mee voor zijn of haar pensioen.”

De mantelzorgers zeggen geen vragende partij te zijn voor een eigen statuut. “We hebben meer nood aan eenduidige informatie, een centraal aanspreekpunt”, zegt Dorien Vandormael van Steunpunt Mantelzorg.

Volgens haar is er grote bezorgdheid over de definities die vastgelegd kunnen worden.

“We vrezen dat enkel de mantelzorgers in de moeilijkste situaties erkend zullen worden en dat een grote groep uit de boot valt. Er zijn ook mensen die minder zorg op zich nemen, maar dit wel als erg belastend ervaren. Zij hebben ook recht op ondersteuning.”

Bij Ons Zorgnetwerk klinkt dezelfde reactie: mantelzorg valt niet te definiĆ«ren. Directrice Marleen Vanhees: “Voor ons is het vooral belangrijk dat de overheid de ondersteuningsmogelijkheden voor mantelzorgers verder uitbouwt, als kortverblijven en dagopvang, zodat ze zelf voldoende op adem kunnen komen.”

Beide verenigingen geven toe dat er, wat ondersteuning betreft, stappen worden gezet. Zo stelde de Vlaamse regering vorig jaar een mantelzorgplan voor met maar liefst 109 actiepunten. Federaal minister Peeters kondigde, in het kader van werkbaar werk, ook aan de termijnen van een aantal verloven en tijdskredieten, uit te breiden. “Allemaal erg verdienstelijk”, stelt Vanhees. “Maar de ondersteuning kan nog altijd beter. Er moet meer budget naar diensten die flexibele mantelzorg mogelijk maken.”

Kafkaiaans

Professor Anja Declercq, verbonden aan LUCAS, het Centrum voor Zorgonderzoek en Consultancy van de KU Leuven, meent dat er wel aantrekkingskracht zit in een statuut. Tegelijkertijd benadrukt ook zij dat dit niet prioritair is. “De vraag van mantelzorgers naar meer begeleiding is prangender.”

Dedry beaamt.

“Een overdreven kader, waaraan rechten en plichten gekoppeld worden, leidt tot kafkaiaanse toestanden. Maar je hebt als overheid wel een hefboom nodig, wil je bepaalde sociale maatregelen kunnen nemen.”

Op de kabinetten van minister Peeters en De Block benadrukten ze gisteren dat de debatten over mantelzorgstatuten nog lopen.